Dag 58 Dinsdag 27-6 Fisterra

De volgende dag was de laatste volle dag in Fisterra. En Lucas was z’n hoedje kwijt. Na z’n eerste “ach, geeft niks”-beweging bedacht hij dat hij hem misschien in de kerk had laten liggen.

Dus we gingen weer naar de kerk.

En we kwamen weer langs de roos die me steeds betoverde met haar geur.

Maar de kerk was dicht. We draalden wat, ons toch verzoenend met het verlies van het hoedje.

Tot er een auto stopte en de priester uitstapte. Lucas stapte op hem af. Of we even mochten zoeken naar het hoedje. “Natuurlijk, natuurlijk!” (maar dan meer in gebaren en in het Spaans).

Enigszins haastig gingen we naar binnen, de plekken langs waar we de dag tevoren waren geweest. Geen hoedje. En eigenlijk waren we al weer op weg naar buiten, toen ik bedacht dat ik nog niet weg wilde. Ik wilde bidden. Dat heb ik niet vaak, dat ik wil bidden. Ik geloof dat we het nog even vroegen, aan de priester, omdat we de indruk hadden dat hij haast had. Maar we kregen alle ruimte.

Dus zocht ik de plek waar ik wilde zijn. Er was één nis in de kerk, aan de zijkant, waar we nog niet waren geweest. Daar was een Maria-beeld, dat we nog niet hadden gezien. Dáár gingen we zitten, op een bank. En ik zocht m’n bidden.

Dat was niet op die bank. Dat was vóór dat beeld. Ik bad het eigenste dat ik kende. Zoals ik ooit in Vezelay bad. Ik ging op m’n knieën, vóór het beeld van Maria, strekte m’n armen boven m’n hoofd en deed de Sat Kriya. “Sat nam” nam de mantra mij over, tezamen met de buikbeweging. “Sat nam” verbond dit moment me met de lijn van 1000 dagen Sat Kriya die me in het lijf zaten. De tranen biggelden me over de wangen. Zó dankbaar als ik was, voor m’n vermogen te geloven als het kind dat ik ooit was. Dat ik iets terug kon vinden waarvan ik zeker wist dat ik het gezien had. Iets dat ik bewaard had – ach…. in m’n hart – ook al leek het hele leven te bewijzen dat het voorgoed verloren was. Pas toen het klaar was bekeek ik het beeld goed, samen met Lucas. Het beeld was anders dan alle andere Maria-beelden die ik kende. Tot dan toe had ik slechts Maria met het kind op de arm gezien. Maar nu zag ik dat ze met haar andere arm nèt een zeeman uit het water getrokken had. We vroegen ons af of het ook nog goed zou aflopen voor de zeemannen die we vervolgens in het water ontwaarden en waarvan er één wel heel penibel nog net uit de golven stak. Wij vonden van wel. Nu hadden we de kerk gezien.

Waar was het toen tijd voor? Koffie? Lunch? Ach, van die dingen. Het was onze laatste dag in Fisterra. We snuffelden aan de plekken die ons inmiddels lief geworden waren. We belandden weer bij Kartikeia, het zaakje met de heerlijke koffie en de mooie crêpes, en ik huppelde tussen de bestelling en de levering door even naar het kledingwinkeltje van de buren. Daar zie ik het stofje van de broek van Simone! Ze hadden er alleen wel een bloes van gemaakt. “Close enough” dacht ik en maakte er een foto van voor Lucas. En vond voor mezelf nog een prachtige broekrok, met weer een heel ander motiefje.

M’n opwinding bedwingend huppelde ik weer terug naar Lucas. “Kijk nou wat ik vind!” toon ik hem de foto. Maar hij is niet onder de indruk. “Ik wou een broek.”

“Dan maak ik er een broek van” vrolijk ik voort. Maar Lucas krijgt z’n vermoeide “daar heb je Joke weer met d’r gedoe”-grom over zich heen en wil er niets meer over horen.

Gaf niks. Nog één missie had ik. Ik had een bel gezien aan het einde van de wereld. Die wilde ik nog gaan kopen. “Loop je nog een keertje mee naar het einde van de wereld?” vroeg ik aan Lucas. “Neeeee”, zei hij “je loopt maar één keer naar het eind van de wereld.”

Nu had ik het makkelijk, want die regel had ik al overtreden. Dus ik ging. “Je koopt niks voor me zonder dat ik er bij ben hè!” wist hij m’n stiekeme twijfel of ik de bloes zou kopen nog te temmen.

Maar dit droeg me de hele weg naar het einde van de wereld: dat ik zeker wist dat ik het kon. Een broek maken van een bloes. Het bruiste in alle blijdschap in me rond, dit onmogelijk lijkende plan waar ik geen grens in zag. Ik was in no time weer op de inmiddels vertrouwde plek en bedacht me wat ik deze keer zou willen. Ik wilde alles omvatten, bedacht ik me. Rechtsom, omdat ik nu al 2x links geweest was, om de hele punt heen.  

Ik zag schoenen die verlaten waren, ik zag woeste blauwe diepten. Maar eigenlijk wist ik niet zo goed wat ik er van moest denken. Ik kwam weer een kunstenaar tegen, die ik voorbij wilde lopen omdat ik nodig naar de WC moest, maar die aan mij vroeg of ik de tijd had. En natuurlijk moest ik toen ook hèm weer m’n (vertaalde gedicht over de) tijd geven. Ik bezocht het toilet, ik kocht een bel met een olifant er op en een armbandje met een spiraal. En toen wist ik werkelijk niet meer wat ik nog kon verzinnen om te doen aan het einde van de wereld.

Ik liep weer terug. En begon mezelf tot de orde te roepen. “Als Lucas het niet wil, moet je het niet doen. Misschien beschermt dat je ook wel. Het is ook een heel gedoe: een broek maken van een bloes. Ben je daar ook eens van ontslagen.” Het ging oprecht ontspannen voelen. Ahhhhh… ik hóef er geen broek van te maken. Wat heerlijk. Ik kwam weer bij de bron aan met een zinnetje dat zich vrolijk herhaalde in m’n hoofd:”I have to find the yesses in his no’s”. (Wat me ook erg deed lachen omdat het een beetje ging klinken als “de jessus in his nose”.)

Nadat ik m’n waterflesje had gevuld, kreeg ik een berichtje van Boris: hij had een baan gevonden. En ik had m’n telefoon nog in de hand toen Lucas belde. Zoveel gelijktijdigheid maakt me altijd erg blij, maar de verbinding was slecht en uitermate verwarrend. Naast de praktische uitwisseling over hoe laat ik terug zou kunnen zijn omdat het postkantoor tot 4 uur open zou zijn, moest ik 3 keer roepen dat Boris een baan had, voordat Lucas het verstond.

De gelijktijdigheid die me gelijk leek te geven over m’n ontspannen ontslag van het broeken maken, leverde meteen deze enigszins verontrustende verongelijktheid in het verstaan op.  Gaf niks. Dacht ik. Antwoord gevonden. Ik ben blij. Het lag aan de verbinding. Als ik hem zou zien, zou het wel weer klaar zijn.

Ik zag hem. En het was niet klaar. Het werd erger. Nóg erger omdat we gehoopt hadden daar nooit meer te hoeven komen: daar waar we elkaar niet kunnen verstaan. Of àls we er nog eens zouden komen, dat we de weg er uit weer heel makkelijk zouden vinden.

Het was onze laatste volle dag in Fisterra en we wilden nog een keer naar  de hippie-place, de “World-family”. We hadden ons nog zó voorgenomen om daar terug te komen en te gaan eten, dat we het wel moesten gaan doen. Maar de zin ontbrak ons volledig. M’n voetstappen waren zwaar. Ik had ook geen idee meer hoe ver het was. Maar Lucas wist het.

We hadden daar eigenlijk zullen eten, maar er was geen eten. Waren ze nou weer aan het schoonmaken? Of waren we nou gewoon te vroeg? Of hadden we geen honger? Ik weet alleen nog maar dat we daar als een stug kibbelend echtpaar zaten. Niets was goed. Dat weerhield een hele magere vrouw er niet van om gewoon bij ons te komen zitten en een shaggie te draaien. Zo afstotend als ik ons vond, zij had daar geen enkele last van.

Al kibbelend begon ik te vermoeden wáár het om ging. Om die bloes. Die een broek zou kunnen worden. Oh… nee….daar had ik geen zin in. Ik wist precies welke kouwe douche me dat zou opleveren, als ik dáár weer over zou beginnen…

Maar eenmaal gezien liet het zich niet meer ontzien. Ik moest het te berde brengen. De hele drammerige manipulatieve zin-doordouwende obsessieve waarheid over me af roepen. “Het gaat over die bloes”. “Hoe bedoel je het gaat over die bloes?” “Dat ik er toch een broek van moet maken.”

Het barstte los. We konden daar niet blijven zitten. We gingen weer lopen, terug naar het centrum. Dwalen, nog niet terug naar de binnenskamers van het hostel. Hoe lang kun je over zoiets praten? Niet zo lang als we liepen. Misschien zeiden we ook niet zo veel. Ik weet er bijna niets meer van. Behalve de wanhoopsbeelden. Van degene die het verdomde zich te laten dwingen en van degene die niet kon stoppen te dwingen. “Als ik een auto had reed ik hier zo van die rotsen af” schetste het verlangen naar uitweg. Zo stom hadden we elkaar nog nooit gevonden.

Maar we liepen en hoorden gezang. Het kwam uit een openstaande deur, waar we al een paar meter langs waren gelopen, een trappetje op. Geen kerk. We gingen het trappetje weer af en gingen op de treden zitten. Luisteren. Gevangen in de muziek.

“Ik wil je ogen behandelen.” zei Lucas. Hij zat achter me, een treedje hoger. Bril af. Z’n handen op m’n ogen. Zingende mensen. Ik draaide me om, zodat ik op m’n knieën voor hem zat. Ik wilde niet alleen maar behandeld worden. Ik wilde iets doen, maar was te onhandig. Het paste niet goed en de traptree was inmiddels te hard voor m’n knieën. 

We probeerden weer door te lopen, maar konden toch niet weg bij de muziek. Ik ging iets dichter bij de deur staan. Er stonden 2 stoelen net om het hoekje in de gang. Gingen we daar zitten? Het zou kunnen. Vlak voordat het afgelopen was. Wij gingen gauw weer naar buiten toen het zingen overging in geluiden van opbreken en afscheid nemen. Nog even op het trappetje. De mensen kwamen naar buiten. We applaudiseerden. “Thank you for the music!” riep ik iemand toe die onze kant op keek. Ze keek ons aan. We waren nu officieel publiek geworden. “Thank you, it was very beautiful” kregen de naar buiten druppelende koorleden van ons. Toen waren we klaar. Althans, dáár.

Ik weet niet meer of we nog aten. Ik weet alleen nog dat we ‘s avonds weer op het bankje zaten voor  l’Espiral. Het was onze laatste volle dag in Fisterra en dat dwong iets af. Nóg een keer proberen. “Dat die stomme broek nou de hele dag moet verpesten.” “Het gáát allang niet meer om die stomme broek. Het gaat om iets dat ik gezien heb op het moment dat jij een broek ging willen. ” “Waar hèb je het over? Daar weet ik niks meer van. Ik weet alleen nog dat ik zei dat ik die broek van Simone wel leuk vond, maar dat betekent niet dat ik die per sé moet hebben!” “Dat jij dat vergeet betekent niet dat ík het ben vergeten en voor mij begon de lijn dáár en dat de kleur van dát moment er bij hoort. Daar ligt voor mij de basis en dáárom is het voor mij zo belangrijk.”

Stilte.

“Weet je wat? Ga dat ding maar halen dan. Doe er mee wat je wilt. Als dat voor jou zo belangrijk is, dan ….”

Wat was er gebeurd? Toen ik het later aan hem vroeg zei hij: “Het was alsof we samen een doodlopende weg in waren gelopen. Er was geen uitweg meer naar voren. Dus steeg ik op. “Alsof onze woorden een thermiek hadden doen ontstaan.” refereerde ik aan zijn schermvliegcarrière. “Ja, misschien wel.” knikte hij.

Maar dat was later. Veel later. Ga dat ding maar halen dan, had hij gezegd. En het was kwart voor 9. Op de laatste volle dag dat we in Fisterra waren. Ik wist dat de winkel om 9 uur ‘s avonds zou sluiten. Dus ik moest gáán. “Dan hoef je hem helemaal niet aan. Je hoeft hem helemaal niet mooi te vinden.” ratelde ik de snelheid er nog even uit. “Ga nou maar!”

Ik stoof op weg. Me een 10-tal meters verderop de volgende belemmering herinnerend. Gauw weer terug: “Moet je niet mee, dan? Je had me gezegd dat ik alleen iets mocht kopen voor jou als je er bij was?” “Nee, vanaf nu gelden hele nieuwe voorwaarden! ” zei hij.

Dus ik ging. Ik wist de weg. Ik hoefde m’n pas niet eens te vertragen toen ik in de winkel kwam: in één rechte lijn naar de betreffende bloes. De man achter de toonbank in verbazing achterlatend. Hij had niet meer gerekend op een klant op dit tijdstip van de avond.

Met de bloes in m’n tasje liep ik, deze keer met snelheid van de verrukking, weer terug. Ik trapte met m’n ene voet in m’n andere broekspijp en viel neer. Op m’n knie. Het deed zeer. Achter me had een oud vrouwtje me zien vallen, dus ik kon niet ongezien m’n tijd nemen om  bij te komen. Ik had geen beste Spaans voor dit soort gelegenheden. Ik moest haar laten zien hoe niet erg het was. Maar daardoor zag zij juist dat het erg was. Een schaafwond op m’n knie en één op m’n wreef. Neeeee, dat kon ze niet gewoon weer laten gaan.

Gelukkig was ik gevallen op het stoepje voor haar voordeur. Ze zorgde voor hulptroepen: een ander oud vrouwtje kwam uit de deur tevoorschijn en die moest pleisters halen. En iets ontsmettends. Iets dat heel anders rood gaf dan de betadinejodium thuis.  Gepamperd en verzorgd en nog trillerig van het vallen vervolgde ik m’n weg. Het zag er dramatisch uit, de rode vlek op m’n wreef. Dus zo kwam ik weer aan bij Lucas: tevreden en gehavend.

We keutelden de avond verder op het bankje. Maar ‘s avonds in bed begon het spoken. De vreemde vrouwtjes met hun taal die ik niet verstond, hun verzorgingsmethodes die ik niet nodig had gevonden, de merktekens die ze me hadden bezorgd, dat vreemde goedje in m’n open schaafwonden. Ik voelde me aangevallen onder de huid. Alles wat niet te vertrouwen was, had ik toegelaten. Het hamerde me en hield me wakker.

Totdat ik uitbarstte. Stilletjes, maar waar. Dat ik uit de grond van m’n hart, uit de toppen van m’n tenen, verlangde dat ik vertrouwen in m’n lichaam had. Dat ik in m’n cellen de bron van léven weer zou weten. Tegenover het weten van bedreiging door dood.

Het vulde me. Het vertrouwen. Het leven. Een beetje verbaasd keek ik er naar. Of eigenlijk: lag ik er in. In dit lijf dat ineens zo anders aanvoelde. En het eerste dat ik wist, was dat het naar Lucas verlangde. Ik voelde nog even, of ik het wel zeker wist. Maar het was onmiskenbaar.

Dus ik klauterde uit m’n stapelbed. “Schik eens op!” fluisterde ik in z’n oor in de zaal met slapende mensen. “Gaat dat wel?” fluisterde hij terug.

Het ging. Ik lag naast hem. Ik rook hem. Ik voelde z’n warmte. Ik werd overspoeld door het besef dat hij bij me was. Ik liep de paden op z’n lichaam alsof ik ze nog nooit gelopen had.  Verwonderd. Innig. Sliep hij? Hij sliep. Af en toe. Ik ademde hem in. Wakker. Gelukkig. De tijd hebbend, genietend van de lange nacht.

Twee keer eerder had ik zo’n nacht met hem gehad. Na de dag van onze eerste ontmoeting en na onze trouwdag.

Dit bericht is geplaatst in Pelgrimstocht. Bookmark de permalink.